Enkele weken geleden stapte ik een weekend lang het bos in met de Bosbeweging.
Ik hoopte op rust, verbinding en inspiratie. Wat ik vond was dat, en zoveel meer.
Alles aan het weekend was met zoveel aandacht, zorg en liefde vormgegeven dat het in elk detail voelbaar was. De plek, het eten, de verhalen, de afwisseling tussen leren en verstillen. Alsof alles onderdeel was van een groter geheel. Een ritme dat ik diep vanbinnen herkende.
Ik denk met heimwee terug aan het vuur, aan het zitten in een cirkel. Het knetteren van hout, de geur van rook, gesprekken die kwamen en gingen en de stiltes die niet opgevuld hoefden te worden. Gewoon zijn.
Toen ik thuiskwam, ging het gewone leven snel weer verder. De wasmanden stonden klaar, boodschappen moesten gedaan worden en de agenda vulde zich opnieuw.
Maar er is iets blijven branden.
We maken vuur in de tuin. Ik oefen met de vuurboog en de kinderen oefenen mee. We zoeken sporen in de natuur, maken paardenbloemenhoning en pesto van look-zonder-look. Soms zitten we gewoon tegen een boom. In stilte.
Dit pad gaat voor mij niet over teruggaan naar vroeger.
Het gaat over herinneren.
Herinneren dat wij onderdeel zijn van de natuur. Dat we verbonden zijn met onze voorouders. En dat die verbinding uiteindelijk ook een weg terug naar onszelf is.
Tijdens het weekend in het bos hoorde ik een verhaal over survivalexpert Tom Brown Jr. Wanneer hij werd gevraagd mee te zoeken naar vermiste mensen in het bos, zou hij eerst vragen of het om een kind of een volwassene ging.
Volgens het verhaal werden kinderen vaker levend teruggevonden. Niet omdat ze meer kennis hebben, maar omdat ze instinctief doen wat de situatie van hen vraagt. Ze zoeken beschutting, worden stil, rollen zich op en geven zich over aan de natuur om hen heen.
Volwassenen doen vaak het tegenovergestelde. Zij gaan zoeken, rondlopen, analyseren en controleren. Ze blijven bewegen vanuit paniek en verliezen daardoor juist sneller hun kracht en oriëntatie.
Dat verhaal bleef hangen, omdat het iets aanraakte waar ik al langer mee worstel.
We sturen kinderen jarenlang naar school. Ze leren stilzitten, presteren, onthouden, toetsen maken en voldoen aan verwachtingen. Maar hoeveel van die kennis wordt uiteindelijk wijsheid?
Hoeveel helpt hen om verbonden te blijven met hun lichaam, hun intuïtie en de aarde waarop ze leven?
En misschien nog wel belangrijker: hoeveel helpt ons om thuis te blijven bij onszelf wanneer we verdwalen?
Het weekend in het bos heeft opnieuw iets in mij opengebroken.
Een verlangen dat al langer aanwezig was. Een verlangen naar eenvoud, vertraging en verbinding.
Ik heb daar eerder iets van geproefd, tijdens onze reis zeven jaar geleden. En soms ook tijdens vakanties waarin we veel buiten leven. Daar is ruimte, eenvoud en vrijheid, maar er is ook altijd beweging. We trekken rond, komen ergens aan en na een tijdje vertrekken weer.
Er ontstaat geen bedding, geen diepe verbinding met een plek, geen langdurige verbinding met mensen. En ergens houden we ook vast aan oude gewoontes.
In het bos voelde dat anders. Zo eenvoudig, alsof alles er al was.
Het bos droeg ons en het voorzag ons.
Niet als een mooi idee in mijn hoofd, maar als een directe ervaring in mijn lichaam.
Sindsdien voelt het dagelijkse leven voller en drukker dan ooit en ik begin te zien dat dat niet alleen komt doordat het leven druk is.
Het komt ook doordat ik al jarenlang probeer vorm te geven aan de dingen waar ik in geloof. Omdat ik voel dat het anders kan.
Dat leren anders kan. Dat samenleven anders kan. Dat onze relatie met de natuur anders kan.
Vanuit dat verlangen zijn we vorig jaar ook onze eigen B3-school begonnen. Niet omdat we alle antwoorden hadden, maar omdat we voelden dat we een andere weg wilden onderzoeken. Een weg die beter aansluit bij hoe wij naar kinderen, leren en ontwikkeling kijken.
En nog steeds ben ik op zoek.
Naar manieren om meer te leven vanuit wat voor mij werkelijk belangrijk voelt. Naar meer eenvoud, meer verbinding, meer gemeenschap en meer ruimte om mens te zijn.
Maar als ik eerlijk ben, merk ik ook dat ik daarin soms vastloop. Omdat ik het leven regelmatig benader alsof het alles of niets is.
Alsof ik moet kiezen tussen het leven dat ik nu leef en het leven waar ik naar verlang.
Alsof ik pas echt trouw ben aan mijn waarden als ik alles omgooi.
Alsof er ergens een ideale manier van leven bestaat die ik moet vinden.
En juist daardoor verlies ik soms iets wat minstens zo belangrijk is. Lichtheid, spel en plezier. En het vermogen om gewoon te genieten van wat er al is.
Ik merk hoe snel ik in mijn hoofd schiet. Hoe snel ik probeer te begrijpen, te verklaren en op te lossen wat ik voel.
Maar juist daar lijkt nu iets te veranderen.
Het voelt als een rite of passage.
Alsof ik ergens doorheen ben gegaan en nu in een tussenruimte ben beland.
Een plek waar het oude niet meer helemaal past, maar het nieuwe zich nog niet volledig heeft laten zien.
En dat vind ik vaak ongemakkelijk.
Ik voel de spanning tussen het ritme van het leven zoals ik het ken en het steeds sterkere besef dat het ook anders kan.
Lange tijd dacht ik dat ik daarin een keuze moest maken. Dat ik ergens moest uitkomen. Dat ik moest weten wat de volgende stap was. Maar onlangs hoorde ik iemand iets zeggen dat sindsdien met me meereist.
Dat het leven niet gaat over óf/óf, maar over én/én.
Dat raakte me.
Want misschien hoef ik niet te kiezen tussen het bos en het dagelijks leven. Tussen vertrouwen en angst. Tussen dankbaarheid voor alles wat er is en verdriet of boosheid over wat er in de wereld gebeurt.
Misschien mogen die dingen allemaal tegelijk bestaan.
Misschien mag ik verlangen naar meer eenvoud én genieten van het leven dat ik nu leef.
Mag ik voelen dat er iets mag veranderen én vertrouwen dat ik nog niet hoef te weten hoe.
Mag ik angst voelen voor het onbekende én toch een stap zetten.
Mag ik rouwen om wat verloren lijkt te gaan in onze wereld én geraakt worden door alle schoonheid die er nog steeds is.
Dat is wat deze tussenruimte van mij vraagt.
Niet direct antwoorden vinden of een keuze maken tussen twee werelden.
Maar leren aanwezig te zijn bij alles wat er tegelijk bestaat.
Het bos én het dagelijks leven.
Het weten én het niet-weten.
Het verlangen én het hier en nu.
Steeds vaker voel ik dat de weg niet zit in het oplossen van die tegenstelling, maar juist in het omarmen ervan.
Alsof ik met één been in het bos sta en met het andere midden in de westerse wereld.
En dat het niet gaat om ontsnappen uit het één naar het ander, maar om iets van de wijsheid, de eenvoud en de verbinding van het bos mee te nemen in het leven van alledag.
Ik weet nog niet precies hoe die weg eruitziet.
Alleen dat het vuur is aangestoken.
Dat er iets in beweging is gekomen.
En dat ik, stap voor stap, leer vertrouwen op wat zich wil ontvouwen.
Niet ondanks het niet-weten.
Maar juist daarin.
Reactie plaatsen
Reacties